“Wij zijn de tijden.” Clemensdag 2017

Clemensdag 2017 JROp zaterdag 29 april jl. vond in Gent (B) de Clemensdag plaats: de jaarlijkse ontmoetingsdag van de redemptoristische familie van onze provincie. P. provinciaal Johannes Römelt hield er het volgende, inspirerende woord.

„Nu is het de gepaste tijd.” In onze kerk – en ook in andere verbanden in onze maatschappij – komen we vaak een soort cultuurpessimisme tegen. Niet altijd maar wel vaak wordt dit nogal stellig uitgedrukt: “Vroeger was alles beter. Tegenwoordig is alles moeilijker en slechter.” “Vroeger zaten de kerken vol. Vroeger waren er tenminste nog roepingen.“ Of:  „Vroeger was de natuur nog ongeschonden en mooi.” Of:  “Vroeger waren er in onze samenleving nog duidelijke richtpunten.” Er zijn zeer uiteenlopende manieren, om in onze dromen terug te keren naar ogenschijnlijk betere tijden.

Men kan natuurlijk net zo goed een droomreis maken naar de toekomst, naar een mooie en veelbelovende andere tijd, die nog moet komen. In de tijd waarin het vooruitgangsdenken nog ongebroken was, was deze droom natuurlijk nog sterker in de mode dan heden ten dage.

We leven vandaag. We zijn kinderen van deze tijd. Onze tijd. We ademen de lucht in van onze tijd – en we geven samen vorm aan deze tijd. Kinderen van deze wereld, samen met al onze tijdgenoten. Vrouwen en mannen in de kerk, Gods volk onderweg in deze tijd. Het is blijkbaar niet slechts een opdracht voor ons, vandaag, om ons dit steeds weer voor ogen te houden. Het citaat van de heilige Augustinus in de uitnodigingstekst van vandaag herinnert ons hieraan. Het is inmiddels enkele eeuwen geleden, dat Augustinus heeft geleefd en geschreven.

We leven nu. We zijn kinderen van onze tijd met haar schoonheid en kwetsbaarheid, met de beloften en uitdagingen die in haar liggen. Wij zijn het, die aan deze tijd vorm geven en van daaruit naar de toekomst gaan. Ik wil hierbij drie opmerkingen plaatsen.

(1) Het XXVe algemeen kapittel van de redemptoristen (2016) heeft in zijn slotboodschap een aanwijzing gegeven over datgene, wat voor ons van belang is, als wij onze tijd goed willen doorgronden. Als we een goede gevoeligheid willen ontwikkelen voor onze wereld, onze tijd: dan moeten we kijken naar de verwonde mensen. Naar de mensen die gekwetst en beschadigd zijn: in hun relaties, in hun lichaam, in hun vrijheid. Mensen die leven onder bedreigingen of met ervaringen van onrecht. Mensen die buiten adem zijn en ontworteld. Mensen die geen plek vinden en verloren gaan in de anonimiteit.

Door mijn taak als provinciaal ben ik voor het eerst in aanraking gekomen met mensen in Congo. Ik kan daar erg genieten van de schoonheid van hun muziek, van het ritme dat als het ware in al hun vezels steekt. Ik zie ook het worstelen om solidariteit, om betere levensvoorwaarden, om een dragend perspectief. Om water, om medische hulp, om datgene wat noodzakelijk is om überhaupt te leven. Heel basaal. Dat houdt me meer en meer bezig.

„Getuigen van de Verlosser: solidair in de dienst aan een zending voor een gewonde wereld” – zo is het geformuleerd in de slotboodschap van het algemeen kapittel. De kwetsuren en wonden zien van de mensen: dat is voor mij essentieel als we een gepaste, goede gevoeligheid willen ontwikkelen voor onze wereld, onze tijd.

(2) Het generaal kapittel wijst er in zijn boodschap op, dat we bewust moeten afgaan op de gekwetste mensen, bewust moeten afgaan op de wereld die zo gewond is. En we ontmoeten deze gekwetste mensen (dit terzijde) ook in ons eigen midden. Bewust op deze mensen en wereld afgaan. Ik geloof dat ieder van jullie deze ervaring heeft opgedaan en kent. Als ik op een gekwetst mens afga, als ik mij bewust blootstel aan een ogenschijnlijk uitzichtloze situatie, als ik me bewust blootstel aan mijn eigen machteloosheid en aan de beperktheid van mijn krachten: dan is dat een eerste stap. Dan kan iets verder gaan.

Dit is geen eenvoudige stap. Dat klopt. Het is een stap de mij niet alleen uitdaagt ik datgene wat ik heb geleerd en wat ik kan, in mijn vaardigheden. Het is een stap die mij uitdaagt als mens. Ik kom immers aan mijn grenzen. Er wordt een punt bereikt waarop ik niet meer weet hoe het verder moet en hoe ik verder kom. Augustinus zegt het onomwonden: hij heeft het over een worstelen. “Worstelen met de tijd.”

Wie zichzelf als mens zo op het spel zet, die ontmoet Christus. Dat geloven wij, als christenen. Daarop vertrouwen wij en daarop baseren en bouwen wij ons leven op. We hebben onlangs Goede Vrijdag en Pasen gevierd. Op die dagen werd ons precies deze dynamiek onder ogen gebracht. De geschondenheid, een verwond mens – en dan de transformatie van het Paasfeest, van de opstanding. Een dynamiek die ook ons omvormt.

In die zijn lees ik de zin uit onze constituties: “Als getuigen van het Evangelie van Gods genade verkondigen de redemptoristen (alle leden van de redemptoristenfamilie) voor alles de hoge roeping van de mens…” (Const. 7). We moeten deel gaan uitmaken van deze dynamiek van omvorming, van dit doorbreken naar het licht, van dit nieuwe begin dat zo verrassend en onverwacht komt. „Dynamiek van de omvorming“ is in dit verband slechts een andere uitdrukking voor verlossing. En verkondigen moet overigens niet betekenen dat het slechts met woorden gebeurt. Beter is het natuurlijk als het gebeurt door datgene wat wij leven en door de manier waarop wij leven. Door datgene wat wij zijn.

(3) Ik zou nog op één verdere, laatste aanwijzing uit onze constituties willen terugkomen. In Constitutie 24 is er sprake van dat wij (redemptoristen en leden van de redemptoristenfamilie) in de ‘geest van innerlijke bezinning’ dienen te leven. Dam kunnen wij “in de mensen en in de gebeurtenissen van het dagelijks leven God ontdekken …. En uiteindelijk de werkelijkheid onderscheiden van de illusies”. Dat hoort immers tot het leven van alledag: leren onderscheiden. Bijvoorbeeld: Waar zet ik mij in – en waar houd ik me beter in? Wat zeg ik? En waar ben ik helemaal niet om iets gevraagd? Waar kan ik hulp bieden en waar zijn anderen aan de beurt en loop ik anderen alleen maar voor de voeten? Waarheen moet ik mij begeven? Waar ben ik geneigd om iets uit de weg te gaan? Waar moeten wij naar toe gaan?

Het is belangrijk om te onderscheiden. Om een situatie scherper te zien, het appel dat uit deze situatie naar voren komt – en om dan te beslissen. Constitutie 24 wijst erop dat wij dit niet in ons eentje kunnen doen. We hebben de “geest van innerlijke bezinning” nodig, zo lezen we daar. We moeten – midden in ons leven – de nabijheid van Jezus Christus zoeken en ons leven daaraan afmeten. Ieder voor zich en gezamenlijk. Wij zijn de tijd, waarin we leven.

En in deze tijd – in de gezichten van mensen, met name de gekwetste mensen, in de stilte van de bezinning – vinden we Jezus Christus.

| Een reactie plaatsen

“Wir sind die Zeit…” Clemenstag 2017

Am 29. April 2017 fand in Gent (B) der Clemenstag statt: das jährliche Treffen der redemptoristischen Familie in unserer Ordensprovinz. An diesem Tag gab P. Provinzial Johannes Römelt folgenden Impuls.

„Jetzt ist die richtige Zeit“. In unserer Kirche – und in anderen Gruppen unserer Gesellschaft – begegnen wir manchmal einer Art Kulturpessimismus. Nicht immer wird dieser ganz plakativ ausgedrückt: „Früher war alles besser. Heute ist es viel komplizierter. Schlechter.“ „Früher waren die Kirchen voll. Früher gab es noch viele Berufungen.“ Oder: „Früher war die Natur noch unberührt und schön.“ Oder: „Früher gab es noch klare Leitbilder in unserer Gesellschaft.“ Es gibt sehr verschiedene Weisen, sich zurück zu träumen in vermeintlich bessere Zeiten.

Ebenso kann man sich natürlich auch in die Zukunft träumen, eine schöne und verheißungsvolle andere Zeit, die erst kommen wird. In Zeiten des ungebrochenen Fortschrittsdenkens war das allerdings noch eher in Mode als derzeit.

Wir leben heute. Wir sind Kinder dieser Zeit. Unserer Zeit. Wir atmen die Luft unserer Zeit, und wir gestalten sie mit. Kinder dieser Welt, zusammen mit all den anderen, die heute leben. Frauen und Männer in der Kirche, dem Volk Gottes unterwegs in dieser Zeit. Sich daran zu erinnern ist offensichtlich nicht nur eine Aufgabe für uns heute. Das Zitat des heiligen Augustinus in dem Programmblatt erinnert daran, und es ist schon einige Jahrhunderte her, seit Augustinus gelebt und geschrieben hat.

Wir leben heute. Wir sind Kinder unserer Zeit mit ihrer Schönheit und Bedrohtheit, mit den Verheißungen und den Herausforderungen, die in ihr liegen. Wir sind es, die diese Zeit weiter gestalten und in die Zukunft gehen.

Ich will drei kleine Anmerkungen machen.

(1) Das 25. Generalkapitel der Redemptoristen hat 2016 in seiner Botschaft einen Hinweis gegeben, was für uns wichtig ist, wenn wir unsere Zeit gut verstehen wollen. Wenn wir eine gute Sensibilität für unsere Welt, für unsere Zeit entwickeln wollen, dann müssen wir auf die verwundeten Menschen schauen. Auf die Menschen, die verletzt sind: in ihren Beziehungen, in ihren Körpern, in ihrer Freiheit. Menschen, die unter Bedrohungen leben oder mit der Erfahrung von Ungerechtigkeit; Menschen, die atemlos leben und deren Wurzeln ausgerissen sind, die keinen Platz finden und in der Anonymität verloren sind.

Durch meine Aufgabe als Provinzial bin ich zum ersten Mal mit den Mitbrüdern und Menschen im Kongo in Kontakt gekommen. Ich freue mich über die Schönheit ihrer Musik, den Rhythmus, der ihnen förmlich in den Gliedern steckt. Und ich sehe das Ringen um Solidarität, um bessere Lebensumstände, um eine Perspektive, die trägt. Um Wasser, medizinische Hilfe; das, was zum Leben nötig ist. Ganz elementar. Mich beschäftigt das mehr und mehr.

„Zeugen des Erlösers: Solidarisch im Dienst an einer Sendung für eine verwundete Welt“ – so ist es in der Botschaft des Generalkapitels formuliert. Die Verletzungen, die Wunden von Menschen sehen: Das ist für uns wesentlich, um eine angemessene, gute Sensibilität für unsere Welt, für unsere Zeit zu entwickeln.

(2) Das Generalkapitel weist uns in seiner Botschaft darauf hin, bewusst auf die verwundeten Menschen zuzugehen. Auf unsere Welt, wo sie verwundet ist, bewusst zuzugehen. Und wir begegnen diesen verwundeten Menschen, das nur am Rande gesagt, auch in den eigenen Reihen. Bewusst auf sie zugehen.

Ich glaube, dass jede / jeder von Euch diese Erfahrung gemacht hat und kennt. Wenn ich auf einen verletzten Menschen zugehe, wenn ich mich einer anscheinend ausweglosen Situation bewusst stelle, wenn ich mich meiner eigenen Ohnmacht und der Begrenztheit meiner Kräfte stelle, dann ist dies der erste Schritt. Dann kann etwas weitergehen.

Das ist kein leichter Schritt. Das stimmt. Es ist ein Schritt, der mich nicht nur in dem, was ich gelernt habe, was ich kann, in meiner Kompetenz herausfordert. Es ist ein Schritt, der mich menschlich stark herausfordert. Denn ich komme an meine Grenzen. Es kommt der Punkt, an dem ich nicht mehr weiter weiß, nicht mehr weiter komme. Augustinus spricht in diesem Sinn auch Klartext: Er spricht von einem Ringen. „Ringen wir mit der Zeit.“

Wer sich menschlich so aussetzt, der begegnet Christus. So glauben wir als Christen. Darauf trauen wir und bauen wir unser Leben. Wir haben gerade, vor 14 Tagen, Karfreitag und Ostern gefeiert. In diesen Tagen wurde uns genau diese Dynamik vor Augen gestellt. Die Verwundung, ein geschundener Mensch – und die Verwandlung des Osterfestes, der Auferstehung. Eine Dynamik, die uns verwandelt.

In diesem Sinne lese ich den Satz aus unseren Konstitutionen: „Als Zeugen des Evangeliums von der Gnade Gottes verkünden die Redemptoristen (alle in der redemptoristischen Familie) vor allem die hohe Berufung des Menschen…“ (Konstitution 7). Wir sollen Teil dieser Dynamik der Verwandlung werden; dieses Durchbruches zum Licht; dieses neuen Anfangs, der so überraschend und unerwartet kommt.

„Dynamik der Verwandlung“ ist hier nur ein anderer Ausdruck für Erlösung. Und „verkünden“ muss ja  nicht heißen, dass es nur mit Worten geschieht. Besser natürlich durch das, was und wie wir leben; wer wir sind.

(3) Ich möchte noch auf einen weiteren, letzten Hinweis aus unseren Konstitutionen kommen. In Konstitution 24 ist die Rede davon, dass wir (Redemptoristen und alle in der redemptoristischen Familie) den „Geist der inneren Besinnung leben“ sollen. Dann können wir „in den Menschen und in den Ereignissen des täglichen Lebens Gott entdecken … und schließlich die Wirklichkeit von Illusionen unterscheiden“.

Das gehört ja mit zum alltäglichen Geschäft: Unterscheiden lernen. Zum Beispiel: Wo engagiere ich mich, wo halte ich lieber still? Was sage ich, wo bin ich überhaupt nicht gefragt? Wo bin ich hilfreich und wo sind andere am Zuge und ich stehe nur im Weg? Wo sollte ich hingehen, wo bin ich geneigt, auszuweichen? Wo sollten wir hingehen…?

Es ist wichtig, zu unterscheiden. Eine Situation klarer zu sehen, den Anruf, der aus dieser Situation erwächst, und dann zu entscheiden. Die Konstitution 24 weist darauf hin, dass wir dies nicht allein tun können. Wir brauchen den „Geist der inneren Besinnung“, so ist dort formuliert. Wir müssen – mitten in unserem Leben – die Nähe zu Jesus Christus suchen und unser Leben daran messen. Individuelle und gemeinsam. Wir sind die Zeit, in der wir leben. Und in dieser Zeit – in den Gesichtern der Menschen, gerade der verwundeten Menschen, in der Stille der Besinnung – finden wir Jesus Christus.

 

| Een reactie plaatsen

Barmherzigkeit IV – Barmherzigkeit als Weg

Im vergangenen Sommer standen die Exerzitien der Redemptoristen der Provinz St. Clemens im Zeichen des Themas ‘Barmherzigkeit’. De Impulsen wurden vom Niederländischen Theologen Franck Ploum gegeben. In der kommenden Zeit werden wir auf dieser Website seine Impulse als eine Reihe veröffentlichen. Heute veröffentlichen wir den vierten Teil.

Ein Schwerpunkt in der Verkündigung Jesu ist das Doppeltgebot der Liebe. Im Lukasevangelium, 10. Kapitel, kommen ein Gesetzeslehrer und Jesus ins Gespräch über die zwei wichtigsten Gebote: Liebe zu Gott und Liebe zum Nächsten, der ein Mensch ist wie du. Der Gelehrte fragt ihn: ‚Wer ist mein Nächster?’ Um eine Antwort auf diese Frage zu geben erzählt Jesus eine Geschichte über einen Mann der beraubt und verletzt am Straßenrand zwischen Jericho und Jerusalem liegt.  Ein Priester und ein Levit sehen diesen Mann, gehen aber an ihm vorbei. Ein Samariter kommt vorbei und wird durch Barmherzigkeit bewogen. Er wäscht seine Wunden mit Öl und Wein, verbindet ihn, bringt ihn in eine Gaststätte, lässt ihn versorgen und bezahlt dafür. – Jesus fragt den Gelehrten: ‚Was meinst du: Wer von diesen dreien hat sich als der Nächste dessen erwiesen, der von den Räubern überfallen wurde?‘ Dieser antwortet: ‚Derjenige der barmherzig an ihm gehandelt hat.‘ Dann sagt Jesus zu ihm: ‚Dann geh und handle genauso!‘ Wer ist mein Nächster? Wer ist der Nächste des Opfers? – so wendet Jesus die Frage. Er wechselt die Perspektive. In der Schrift bildet das Opfer immer den Ausgangspunkt: die Witwe, der Flüchtling u.s.w. Nicht das ‚ich’, sondern das ‚er’, der Verletzliche, der Andere ist mein Referenzpunkt wenn es darum geht, das Richtige zu tun. Der Weg der Liebe macht barmherzig. Wer mit barmherzigen Augen schaut, der wechselt die Perspektive.

Der Jüdisch-Französische Philosoph Emmanuel Levinas entwickelte, von seinen Kenntnissen m.b.a. Thora und Talmud ausgehend, eine Philosophie mit dem zentralen Thema: das Angesicht des schutzlosen Anderen. Eine Philosophie die dem Denken im Westen seit dem 17. Jahrhundert radikal widerspricht. Nicht das autonome ‚Ich’ steht im Mittelpunkt, sondern der Andere. Für Levinas ist der Andere nicht einer der mir im Wege steht, sondern einer der meine Verantwortung anspricht, auch wenn ich nicht an seinem Leiden schuldig bin. In diesem Andern kommt Gott ans Licht. Diese fundamental andere Sicht brauchen wir, weil unser ‚Ich‘-denken immer wieder zu Krieg und Massenmord führt. Das Ich hat Angst vor dem Anderen und befürchtet dass es den Kürzeren ziehen wird. ‚Ich bin doch nicht mein Bruders Hüter?‘ Wer ist mein Nächster? Wer ist der Nächste des schutzlosen anderen? – fragt die Schrift uns. An erster Stelle steht die Verantwortung. Die Freiheit kommt erst danach. Orden und Kongregationen verkörpern diese andere Sicht. Das betrifft auch die Redemptoristen. Ihre Arbeit war und ist Arbeit für Menschen an den Rändern der Gesellschaft. Durch die Spiritualität des H. Alfons geleitet, lassen sie Menschen die Nähe des barmherzigen Gott spüren und erleben. Sie alle hier sind ein Teil dieser Bewegung. Sie alle haben die Option für den Andern gemacht, wobei der Andere Mensch und Gott als der Andere nach Levinas deckungsgleich sind.

Das Gebot der Liebe soll gelebte und durchlebte Praxis sein – und mehr als Pflichtausübung. Es geht um den Geist des Gebotes. Ich soll mich wirklich innerlich berühren lassen. Vielleicht geht dies von selber, weil ich durch meine Verbundenheit mit Gott nicht anders kann als barmherzig sein. Vielleicht muss ich erst wachgerüttelt werden und brauche ich ‚ Kontrasterfahrungen’ (Schillebeeckx), die Erfahrung dass etwas ‚nicht stimmt‘. Manchmal ist es die Begegnung mit einem konkreten Menschen, z.B. einem Flüchtling der meine ‚unbarmherzigen‘ politische Ansichten in Frage stellt. Es gibt Vorbilder und Ikone dieser Barmherzigkeit, z.B. den H. Franz von Assisi der sich von einem Aussätzigen berühren ließ.

Der Weg der Barmherzigkeit: reicht er? Die Schrift sagt dass es immer sinnvoll sind, barmherzig zu sein. Der Talmud sagt: du kannst nicht alles machen, du kannst dich dem Appell aber nicht entziehen. Das bedeutet z.B. : das Schicksal der Menschen liegt nicht in deinen Händen. Du sollst aber alles machen was du kannst, um Krieg zu vermeiden, Konflikte zu lösen u.s.w. Du bist nicht persönlich schuldig am Leiden der Menschheit. Dies befreit dich aber nicht von deiner Verantwortung – die die Wurzel deiner Freiheit ist.

| Een reactie plaatsen

Barmhartigheid IV – Barmhartigheid als weg

De bezinningsdagen of ‘retraite’ van de redemptoristen van de provincie St.-Clemens stonden afgelopen zomer in het teken van het thema barmhartigheid. In de komende tijd zullen we de inleidingen, die werden gegeven door de Nederlandse theoloog Franck Ploum, hier als een vervolgverhaal publiceren. Vandaag aflevering IV.

Eén van de speerpunten in Jezus’ verkondiging is het dubbelgebod van de liefde. In het evangelie van Lukas, hoofdstuk 10, raken een Thorageleerde en Jezus in gesprek over de twee voornaamste geboden: God liefhebben en je naaste die is als jij. De man vraagt hem: wie is mijn naaste? Om een antwoord te geven op die vraag vertelt Jezus het verhaal van een mens die onderweg tussen Jeruzalem en Jericho in handen viel van rovers en halfdood achterbleef aan de kant van de weg. Een priester en een Leviet zagen hem liggen maar liepen hem voorbij. Een Samaritaan kwam langs en werd door ontferming bewogen, hij waste zijn wonden met olie en wijn en verbond ze, bracht hem naar een herberg en verzorgde hem. Hij betaalde de herbergier twee zilverlingen voor de verdere verzorging. Jezus vraagt vervolgens: Wie is naaste geworden van het slachtoffer? De man antwoord: Die barmhartigheid aan hem deed. Jezus zegt: ga en doe jij evenzo.

Wie is mijn naaste?, vraagt iemand. Wie is naaste van het slachtoffer?, geeft Jezus terug. Een wisseling van perspectief. In de Schrift is altijd het slachtoffer uitgangspunt van denken, de weduwe en de vluchteling bepalen de richting. Niet het ik, maar het gij, de kwetsbare ander is mijn referentiekader wanneer het gaat om het goede doen, rechtvaardig zijn, vrede brengen.  De weg van de liefde maakt je barmhartig en wie kijkt met ogen van barmhartigheid die wisselt het perspectief.

De Joods-Franse filosoof Emmanuel Levinas, ontwikkelde vanuit zijn kennis van de Thora en de Talmoed een filosofie met als centraal thema: het gelaat van de weerloze ander. Een filosofie die radicaal ingaat en ook een protest is tegen het Westerse denken sinds de 17e eeuw, dat het autonome ik als vertrekpunt neemt en weinig tot geen ruimte biedt voor de mens naast mij. In het gangbare westers denken is het ik het centrum, de medemens is enkel een belemmering voor de persoonlijke ontplooiing. Voor Levinas is de Ander een weerloos schepsel dat een appèl doet op mijn verantwoordelijkheid: heb mij lief, doe mij recht, wees mijn naaste, laat mij leven. Ook al ben ik niet schuldig aan het lijden van de weerloze ander, toch ben ik verantwoordelijk. De verschijning van het weerloze gelaat van de Ander kan mij ertoe bewegen de zorg voor het eigen zijn te vergeten. In de ontmoeting met de Ander komt God aan het licht, in de Ander.

Deze fundamenteel andere manier van kijken is nodig omdat het denken vanuit het ik steeds weer zal leiden tot oorlog, geweld, massamoord, Holocaust, genocide. Het ik voelt zich immers bedreigd door de vreemdeling, kent angst voor het onbekende. Het ik laat zich voeden door makkelijke kreten als islamisering en massa-immigratie. Het ik is bang om tekort te komen en trekt ten oorlog tegen alles wat de eigen vrijheid in gevaar brengt en stelt daarbij de vraag: wie is mijn naaste? Ben ik soms mijn zusters en broeders hoeder?  Wie is mijn naaste?, vraagt de mens. Wie is naaste van het slachtoffer, de vreemdeling, de asielzoeker, de oorlogsvluchteling?, vraagt de Schrift. Verantwoordelijkheid gaat vooraf aan vrijheid.

Religieuze orden en congregaties zijn duidelijk een beeld van die radicaal andere visie op mens-zijn, waarbij niet het ik maar de ander uitgangspunt van handelen is. Dit geldt ook voor deze congregatie: de werken in de samenleving waren en zijn nog steeds gericht op hen die langs de rafelranden van onze samenleving liggen en niet gezien en gehoord of opgemerkt worden. Er worden pleisterplaatsen ingericht waar mensen op adem kunnen komen. En vanuit de spiritualiteit van Alfonsus ontmoeten mensen bij de Redemptoristen het gelaat van de Barmhartige God.

Aan die beweging heb jij bijgedragen. De een heft er zijn hele leven aan gegeven, de ander heeft er bewust ruimte voor gemaakt in haar of zijn leven. Hoe dan ook een keuze waardoor de A/ander met hoofdletter en met kleine letter, waartussen in het ethische filosofie van Levinas overigens niet heel veel verschil zit, een centrale plaats is gaan innemen in je leven.

Eerste en tweede gebod in de praktijk, niet alleen beleden maar ook geleefd, doorleefd en doorgegeven. Voor Jezus is het plichtmatig onderhouden van de wet niet voldoende, je moet je laten raken door de Geest van diezelfde wet. De geest die je in beweging brengt en aanzet tot goede werken en die je op weg zet en als vanzelf bij de mens naast je brengt. De mens die een beroep op je doet, je aankijkt en zegt: geef mij brood, schenk mij te drinken. In zulke ontmoetingen komt het er op aan: ben ik een mens die de wetten volgt, of laat ik me raken, word ik geraakt en vervuld van medelijden, mededogen, toon ik barmhartigheid?

Barmhartigheid kan op twee manieren werken.

Vanuit een innerlijke verbondenheid met God kun je niet anders dan barmhartig zijn en je kijkt om je heen en speurt naar wat gedaan moet aan hen die te lijden hebben aan het leven, onmenselijke situaties, onderdrukking, misbruik of geweld.

Maar het kan ook zo zijn dat de ander, die je ontmoet wakker schudt. Dat dus pas in de ontmoeting de innerlijke aanraking tot stand komt en je niet anders kunt dan barmhartig zijn. De theoloog Edward Schillebeeckx noemde dit de zgn. Contrastervaring: je ziet iets en denkt en zegt en weet ‘dit kan niet – dit moet anders’ en je gaat het anders doen. Deze tweede omkering is er aan de hand, denk ik, in het verhaal van de barmhartige Samaritaan. Het is sowieso de meest voorkomende vorm van barmhartigheid: je ziet de ellende en je gaat handelen. Mensen roepen vaak makkelijk met de meute mee ‘alle asielzoekers naar huis terug’, maar wanneer die asielzoeker een gezicht, een naam, een stem heeft dan wordt het en ander verhaal.

Ook de Samaritaan uit het verhaal heeft alle redenen om zich nergens iets van aan te trekken. Kijk maar naar het beeld: er ligt een geroofde koffer, er zijn al twee mensen voorbijgegaan, hij en zijn volk worden uitgekotst door mensen als het slachtoffer, ook psychologisch werkt het bij mensen zo dat hoe meer mensen een slachtoffer zien, hoe langer het duurt voordat er hulp komt.

Een ander voorbeeld van Barmhartigheid die opgeroepen wordt in de confrontatie met het slachtoffer is Franciscus. De radicaliteit waarmee Franciscus het evangelie interpreteerde was voor menigeen, vele bruggen te ver. Alles delen, alles weggeven, minimale voorzieningen, een ascetische levensstijl, niet meer eten dan je nodig hebt en onophoudelijk bidden en nadenken over wat Jezus van je vraagt. Maar dit gebeurde niet na studie, overwegingen en diep nadenken of hij wellicht een soortgelijk leven zou ambiëren. Niet hij koos een weg. Nee! De weg koos hem.

Het gebeurde toen hij ten diepste geraakt werd door een mens, zo diep dat hij in deze man het gelaat van Christus herkende en maar een ding kon doen: weggeven wat hij bezat. Hij gaf zijn mantel. Daarmee gaf hij niet alleen maar iets, een ding, of iets waardevols, nee met het weggeven van zijn mantel legde hij zijn oude leven af deed hij afstand van zijn rijkdom en werd als het ware als nieuwe mens geboren.

De weg van barmhartigheid. Langs die weg worden vele wonden verzorgd, tranen gedroogd, gebrokenen geheeld. Maar is het voldoende? Heeft het zin? De Schrift zegt dat het altijd zin heeft! En de Talmoed – de Joodse uitleg bij de Thora – zegt: ‘Het is niet aan u, het werk te voltooien, maar ge bent ook niet vrij, u eraan te onttrekken.’ Dat wil dus zeggen: het lot van mensen, van de wereld, van oorlog en vrede, ligt niet in jouw handen, maar je moet alles in het werk stellen om oorlog te vermijden, conflicten te sussen en ze van hun scherpe kantjes te ontdoen. Je bent niet persoonlijk schuldig aan het lijden van de mens in Afrika, Latijns-Amerika, de kindsoldaten, de verhandelde meisjes, het lijden van de vluchtelingen. Je bent niet schuldig, maar dat ontslaat je niet van je verantwoordelijkheid die vooraf gaat aan je eigen vrijheid. Jullie als Redemptoristen weten hier alles van en hebben laten zien dat het kan!

| Een reactie plaatsen

Barmherzigkeit III – Berufung

Im vergangenen Sommer standen die Exerzitien der Redemptoristen der Provinz St. Clemens im Zeichen des Themas ‘Barmherzigkeit’. De Impulsen wurden vom Niederländischen Theologen Franck Ploum gegeben. In der kommenden Zeit werden wir auf dieser Website seine Impulse als eine Reihe veröffentlichen. Heute veröffentlichen wir den dritten Teil.

Berufung ist ein besonderer Moment in einem Menschenleben. Berufung hat verschiedene Formen – und die Art und Weise in der Menschen darauf antworten ist auch sehr unterschiedlich. Man kann arbeiten im Auftrag Gottes. Oder man kann seine eigene Berufung gestalten. Ein Mensch entscheidet sich und hofft dass seine Entscheidung dem Willen Gottes entspricht. Im Allgemeinen würde ich sagen, dass Berufung ein Prozess ist, in dem viele Menschen und Situationen eine Rolle spielen. Im Rückblick auf das Leben kann man dann eine Art von Linie entdecken: so hat es ausgesehen, so war mein Leben, meine Berufung, so war und ist mein Auftrag.

Es ist ein Missverständnis, dass Berufung nur Menschen angeht, die Priester werden oder in einen Orden eintreten. Jeder Mensch hat seine Berufung, jeder muss in seinem Leben nach Sinn, nach Erfüllung, Auftrag und Berufung suchen. Was wird von mir gefordert? Welchen Weg muss ich gehen? Welche Entscheidungen stehen an? Diese Fragen allgemein menschlich und zugleich sehr religiös.

So sehen wir in den letzten Jahren neue Formen des Ordenslebens entstehen. Immer mehr Orden und Kongregationen kennen Oblate, Assoziierte und ‚Dritte Orden‘. Menschen mit einer Berufung, die ihr Glaubensleben nachdrücklich gestalten wollen, wobei sie zugleich in ihre Arbeit und ihr Familienleben eingebunden bleiben. Auf diese Weise suchen z.B. und u.a. SCALA und EFFATA nach neuen, nachhaltigen Formen für die Fortsetzung der Spiritualität der Redemptoristen.

In der Bibel ist von vielen, sehr unterschiedlichen Berufungen die Rede. Es scheint manchmal so, als ob diese Berufungen aus dem Nichts kommen: ein brennender Strauch, alles loslassen, hinter ihm hergehen, ein helles Licht aus dem Nichts… Wir sollen uns immer wieder bewusst werden, dass diese biblischen Geschichten keine ‚Berichte‘ sind, sondern im Nachhinein erzählte, geschriebene und religiös interpretierte Geschichten. Wir können sie als Verdichtung, Poetik oder Zusammenraffung von Prozessen längerer Dauer lesen. Diese Geschichten sind unter sich sehr unterschiedlich. Auch in der Bibel geht nicht alles wie von selbst. Moses argumentiert mit Gott. Er wehrt sich und sagt fünf mal, dass er nicht die geeignete Person ist. Auch Jona geht lieber einen anderen Weg. Und Abraham ringt sich erst allmählich zum Vertrauen durch, dass sein Leben von Gott getragen wird.

Das Grundsätzliche ist: Gott Beruft immer die einzelne Person, nie die Gruppe oder die Menschheit. Alle Hoffnung wird also auf die Einzelperson gesetzt. Ich muss hören. Ich muss gehen. Ich muss loslassen – meistens allerdings im Bewusstsein dass auch andere Personen berufen sind.

Für die meiste Redemptoristen sind Glauben, Kirche, Gottvertrauen Selbstverständlichkeiten seit ihrer Kindheit. Sie sind in einem gläubigen Kreis und Milieu aufgewachsen. In diesem Milieu war Berufung eine selbstverständliche Option. Obwohl Berufung also immer das Individuum angeht, war die allgemeine Akzeptanz immer ein wichtiger Aspekt. Bis weit in die sechziger Jahren des 20. Jahrhundert hinein waren darüber hinaus auch die Rollenmodelle und Vorbilder eindeutig festgelegt. Innerhalb dieses Milieus haben viele von Ihnen aber sehr persönlich ‚JA’ gesagt. Sie fühlten sich berufen. Ganz persönlich und individuell.

Vielleicht haben auch andere Aspekte eine Rolle gespielt. Freunde die den gleichen Weg gingen, zum Beispiel. Begeisternde Persönlichkeiten. Das Streben nach Abenteuer, Freiheit, Studium. Oder suchten sie eher Halt und Sicherheit? Berufung ist nie eindeutig. Welcher Mensch kennt sich selbst ganz? Wer kennt den Willen Gottes?

Nach den sechziger Jahren ist ein anderes Klima gewachsen wenn es um Kirche, Religion und Ordensleben geht. Unter Ihnen gibt es Personen die, gerade in dieser Zeit von Verwirrung, Erneuerung, Offenheit und Änderungen, nach einem erfüllten Leben gesucht haben. Lange Zeit ist über die vergangenen Jahrzehnten gesprochen, als wären es nur Jahre von Verlust und Säkularisierung. Jetzt wissen wir besser: Religion war nie ganz weg und suchte sich immer einen Weg – auch außerhalb von den Institutionen.

Für jeden kam ein Moment an dem sie oder er (laut oder leise, ausdrücklich oder stammelnd) sagen konnte: ‚Hier bin ich’. War es die Reaktion auf eine Begegnung? Mit wem? War es Gott selbst? Ein Mensch Gottes? War es eine Situation, in der du wusstest: jetzt muss etwas geschehen, jetzt ist der Moment? Ein Moment an dem das fehlende Teil eines Puzzles gefunden wurde? Und dann…. dann haben Sie sich entschieden. Das hört sich nach einem geraden und eindeutigen Weg an. Die Realität ist aber anders. Berufung hat nie eine eindeutige Ausrichtung. Es ist eher eine Mischung von Ausrichtung und Desorientierung. Signale passen nicht immer zusammen. Berufung heißt: immer wieder neu hören, sehen, wählen, beten. Ständige Wachsamkeit ist gefordert.

Und vielleicht gibt es eine noch wichtigere Frage: was bleibt von meiner Lebensarbeit? Wie geht es weiter? Geht es überhaupt weiter? Was bleibt von meinem Einsatz für Recht, Barmherzigkeit, Solidarität? War es sinnvoll? Die Bibel sagt dass es immer Sinn hat! Auch in Zeiten wo alles zu Grunde geht, auch in Zeiten dass Gott nicht einmal mehr gehört wird. Immer und überall gibt es Menschen die Gerechtigkeit schaffen, Frieden bringen, die Liebe leben. Außer den vielen, mit Name bekannten Personen, gibt es in der Bibel auch viele anonyme Menschen, die dies gemacht haben. Auch wir gehören dazu. Wie erleben wir das?

Der H. Alfons wollte in seiner Pastoral die Barmherzigkeit und Liebe Gottes zeigen. Vor allem in der Beichtpraxis. Wir müssen uns realisieren, dass die Beichte im 18. Jahrhundert die einzige pastorale Form war. Er wollte in seiner Zeit schon das Gewissen der Menschen aktivieren – gerade bei en einfachen Menschen. Seiner Meinung nach war es ein Auftrag der Kirche, das Gewissen der Menschen zu bilden – und gerade nicht, nur mit Strafe zu drohen. Papst Franziskus spricht 300 Jahre später in seinem Brief über gerade dieses Thema, wenn er Schreibt: ‚Der Beichtvater muss den zurückgekehrten Sohn erst einmal an seine Brust drucken und seine Dankbarkeit und Freude zeigen.’

Alle hier sind aufgewachsen in oder kurz nach einer Zeit, in der die Katholische Kirche sich stark verbreitete. In den Niederlanden z.B. war die katholische Kirche ab der Mitte des 19. Jahrhunderts booming. Dies äußerte sich z.B. in der großen Menge an Kirchengebäuden aus der Periode 1850-1950. Gleichzeitig entstanden viele, vor allem praktisch ausgerichtete Ordensgemeinschaften. In diesem Kontext sind Sie aufgewachsen und haben Sie sich für das Ordensleben entschieden. Haben Sie damals überhaupt gedacht, dass dies mal aufhören würde? Dass eine Zeit kommen würde, in der diese Form des Ordensleben zurückgehen würde? Das können wir aber gerade jetzt beobachten. Die aktiven Ordensgemeinschaften werden voraussichtlich in einigen Jahren nicht mehr existieren in West-Europa. Andere haben deren Aufgaben (Schulen, Krankenhäuser) übernommen.

Andererseits entstehen neue Bedürfnisse und Lücken. Viele passe nicht in die ‚Hilfe-Strukturen’ der Gesellschaft hinein. Hier könnte ein neues Engagement wachsen – aber das wird niemals auf der Art und Weise sein wie vor 100 Jahren.  Darüber hinaus ändert sich auch die religiöse Landschaft. Ein scheinbar homogenes und christliches Kontinent wird endgültig säkular, multikulturell und multi-ethnisch. Wir suchen eine neues Gleichgewicht. Dies kostet Zeit, Mühe, Kraft zum Durchhalten, Barmherzigkeit und Einsatz.

In den letzten 100 Jahren waren es die Orden und Kongregationen, die in einer oft unfairen Gesellschafft Barmherzigkeit gestaltet und verkörpert haben und die sich z.B. um Chancengleichheit gekümmert haben. Immer wieder sehnt sich unsere Welt nach Menschen die das Angesicht dieser Erde erneuern und ihr ein neues und menschliches Gesicht geben können. Diese, unsere Erde, sehnt sich nach festem Boden, Entfaltungsraum, Menschlichkeit und Gastfreundschaft.

Manche Ordensleute denken das ihre Zeit vorbei ist. ‚Wir sind alt, wir können nichts mehr.‘ Es ist aber noch viel möglich. Es werden nämlich Menschen gesucht, die Licht sind, die Brot brechen und austeilen. Menschen die den Fatalismus durchbrechen.

| Een reactie plaatsen

Barmhartigheid III – Roeping

De bezinningsdagen of ‘retraite’ van de redemptoristen van de provincie St.-Clemens stonden afgelopen zomer in het teken van het thema barmhartigheid. In de komende tijd zullen we de inleidingen, die werden gegeven door de Nederlandse theoloog Franck Ploum, hier als een vervolgverhaal publiceren. Vandaag aflevering III.

Geroepen of aangewezen worden is een belangrijk moment in het levensverhaal van mensen. Geroepen worden kan verschillende vormen aannemen. De reactie van mensen op hun roeping is ook heel verschillend. De één zit meer in de rol van uitvoerder, in opdracht van God. Een ander is wellicht wat meer de vormgever van de eigen roeping. Dat wil zeggen: je maakt keuzes en hoopt dat die in het spoor van Gods wil of Gods wens zijn. In het algemeen zou ik willen zeggen dat roeping en geroepen eerder een voortdurend proces is, waarin veel mensen en situaties een rol spelen, dan de spreekwoordelijke bliksemschicht. Terugkijkend op je leven kun je vaak draden van roeping zien en kun je zeggen: kijk zo ziet het eruit, dat was-is-blijft de opdracht waar ik voor sta.

Het is een misverstand dat roeping alleen betrekking zou hebben op mensen die kiezen voor religieus leven, of die ervoor kiezen om priester te worden. Ieder mens is geroepen om in zijn of haar leven te zoeken naar bestemming, opdracht, roeping. Wat wordt er van mij gevraagd, welke weg moet ik gaan, welke keuzes staan er nu voor mij. Deze vragen zijn eigen aan mens-zijn en hebben alles te maken met religiositeit. In de richting die je laat je je leiden door je kennis, je gevoel, je geweten, de traditie waarin je staat, door God die met je meetrekt.

Zo zien we de laatste decennia ook nieuwe vormen van religieus leven ontstaan. Mensen verbinden zich langs andere lijnen en in andere vormen aan religieuze gemeenschappen dan in het verleden. Steeds meer orden en congregaties kennen vormen van associatie, oblaten, derde orde leden. Mensen die zich geroepen voelen om nadrukkelijk vorm en vooral inhoud te geven aan hun religieuze leven, te midden van een wereldlijk beroep, een leven met partner of gezin. Zo zoeken Effata en Skala samen met de bestaande vormen waarin het leven van Redemptoristen lange tijd vorm kreeg naar nieuwe toekomstbestendige vormen van religieus leven en het naar de toekomst dragen van de spiritualiteit van de redemptoristen.

Roeping en geroepen worden. Roepingsverhalen in de bijbel lijken soms wat uit de lucht te vallen. Brandende braamstruiken, alles achterlatend hem achterna, een lichtflits uit het niets, we komen ze allemaal tegen in het bijbels verhaal. Maar we moeten ons realiseren dat de verhalen altijd achteraf zijn opgeschreven en geïnterpreteerd zijn vanuit een gelovig perspectief. In feite zijn het dus verdichtingen en samenvattingen van langdurige processen die zich intermenselijk en tussen God en mensen hebben afgespeeld. Maar ook daarin zijn veel en grote verschillen te merken. Kijkend naar de verschillende roepingsverhalen in de Bijbel, ontdek je dat het niet allemaal vanzelf gaat. Mozes die tot vijf keer toe weigert, Jona die liever een andere kant op gaat, Abraham die maar niet durft te vertrouwen.

Opvallend is in elk geval dat in de bijbel God nooit de mensheid, de massa roept. Altijd de enkeling, in relatie tot de mensheid. Alle hoop is gezet op het ‘ik’, ik moet op weg gaan, hoogstens met de wetenschap dat ook anderen geroepen zijn.

Voor de meesten van u is geloven, kerkelijkheid en godsvertrouwen met de paplepel ingegeven. Er was een milieu van geloven in kerk, gezin en samenleving, waarbinnen het begrip roeping een vruchtbare voedingsbodem vond en waarin jonge mensen als bijna vanzelfsprekend bij het uitstippelen van hun leven de keuze voor religieus leven overwogen. Hoewel de roeping dus altijd het individu betreft, werd het door de algemene aanvaarding van het gebeuren wel een stuk makkelijk.

Tot zestig jaar geleden waren er ook min of meer afgebakende beelden van God, kerkelijke kaders waarbinnen geloof vorm kreeg, gedachten over hoe je als katholiek diende te leven en hoe de samenleving vorm diende te krijgen. Er waren ook voorbeelden, mensen die voorgingen in geloof. Religieuzen, priesters, missionarissen die inspireerden, invloed hadden, goede dingen deden.

In dat milieu heb je ‘ja’ gezegd. Je voelde je aangeraakt, opgeroepen, aangezet, geroepen, om de weg van God te gaan. Er werd een beroep gedaan op jou als individu en daarmee werd je losgeweekt van de beschermende context van de gemeenschap. Dat beroep op het ik, zonder iemand in de illusie te laten dat zij voor deze bestemming te klein of te slecht zou zijn is een van de kernpunten uit de bijbel.

Of speelden misschien nog wel heel andere zaken een rol. Zoals: wie kozen er nog meer voor de weg die jij wilde gaan? Was er iemand die enthousiaste verhalen vertelde over de missie, of over onderwijs? Lonkte het avontuur of wilde je juist studeren? Zocht je de vrijheid, of juist zekerheid en houvast? Roeping is vaak niet iets eenduidigs. Want wie kent zichzelf door en door? Wie weet wat er onbewust in een mens omgaat en wie kent de wil van God?

Na de jaren zestig van de vorige eeuw is er een heel ander klimaat ontstaan wanneer het gaat om kerk, religie en religieus leven. Onder u zijn er ook die juist in deze periode van verwarring, vernieuwing, openheid en verandering hun zoektocht hebben afgelegd. Lange tijd hebben we over de afgelopen decennia alleen gesproken in de termen van secularisatie. Inmiddels weten we beter: religie is nooit weggeweest, maar zoekt nieuwe wegen, veelal buiten geïnstitutionaliseerde kaders. En toch uw zoeken bracht u hier, u hebt zich verbonden met de Redemptoristen.

Voor ieder die hier aanwezig is is er een moment gekomen dat je kon zeggen: ‘Hier ben ik’. Misschien heb je het zelfs niet gesproken, maar gestameld of in stilte gezegd. Was het na een ontmoeting? met wie eigenlijk? Was het God zelf, een mens van God? Was het een situatie waarin je ineens zag wat er gebeuren moest en waarin iets van die glans van God zichtbaar werd? Het is hoe dan ook een moment geweest waarop puzzelstukjes in elkaar vielen en ten diepste wist: dit is mijn weg, dit wordt van mij gevraagd. Hiertoe ben ik geroepen. Misschien dat laatste nog niet eens, want soms weet je wel dat je moet doen, maar waarom is niet helder.

Ja en dan heb je gekozen en dan lijkt alles eenduidig, rechte paden, geplaveide wegen. Maar niets is wat het lijkt. Roeping is niet zonder meer een eenduidige oriëntatie. Het is een mengeling van oriëntatie en desoriëntatie. Er is ambivalentie. Er zijn meerdere soms tegengestelde signalen, die claimen van God te zijn: de stem van de kerk, de stem van je grote voorbeeld, de stem van de traditie, de stem van de congregatie, de stem van je hart. Roeping is een voortdurende staat van paraatheid, alert blijven, niet het eens en voorgoed gehoord hebben en weten. Geen vastomlijnde zekerheden, maar waakzaam zijn op wat betrouwbaar is en wat niet.

En belangrijker misschien nog wel: waar blijft dat levenswerk van jou, in de onafzienbare ruimte van de geschiedenis? Wat komt er van terecht en wat blijft er van over, van al jouw pogingen om goed te doen, rechtvaardig, vakbekwaam, betrouwbaar. Heeft het allemaal zin gehad?

Volgens de bijbel heeft het zin. Ook in een tijd dat alles ten onder lijkt te gaan. Ook in een tijd dat de stem van God nauwelijks meer gehoord wordt. Volgens de bijbel doet het er toe of ik als individu, wellicht tegen de stroom en beter weten in, vrede kan stichten, recht kan bevorderen, liefde doen, al is het maar aan één mens.

De bijbel tekent de namen op, maar nog veel meer worden er niet bij name genoemd: mensen die in toewijding en trouw aan een ander mens, of een paar, of velen, het goede hebben gedaan en uit alle schijnbare dood, leven hebben gewekt. In die lange lijst van genoemde en ongenoemde namen staat u ook. Hoe is het om daar te staan?

Alfonsus voelde zich geroepen om het liefdevolle en barmhartige gezicht van God de boventoon te laten voeren in zijn pastoraat, in zijn biechtpraktijk vooral ook. We moeten ons immers realiseren dat in de 18e eeuw het kerkelijk pastoraat samenviel met de biechtpraktijk. Daarbuiten bestonden er nauwelijks tot geen andere vormen van pastoraat. Alfonsus wilde in die tijd al een beroep doen op het geweten van eenvoudige gelovige mensen. In zijn visie moest de kerk dat voeden en vormen, in plaats van mensen met straf en zonde om de oren te slaan.

Paus Franciscus houdt in zijn brief, bijna 300 jaar later, eenzelfde pleidooi, wanneer hij schrijft: “De biechtvader dient de teruggekeerde zoon op de eerste plaats tegen zich aan te drukken en uiting te geven aan blijdschap.” (paragraaf 17)

Het religieuze veld van Alfonsus is niet meer het onze. Vooral in de afgelopen decennia is Europa ingrijpend veranderd. Dat heeft gevolgen op alle terreinen van ons leven, ook en vooral ook op gebied van religie en religiositeit. Niemand van ons kan zich daaraan onttrekken. Zelfs al zou je dat willen, het is onmogelijk.

U bent allemaal opgegroeid in de gloriejaren of in de nadagen van de gloriejaren van de Katholieke kerk. Even sprekend voor de Nederlandse situatie: na het herstel van de bisschoppelijke hiërarchie in 1883 kende de katholieke kerk een ongekende en ook nooit eerder vertoonde expansie. Ik bedoel, ik heb er geen onderzoek naar gedaan maar we kunnen er met enige voorzichtigheid van uit gaan dat zeker 75% van de katholieke kerken in Nederland gebouwd zijn tussen 1890 en 1930. Het idee van op elke hoek een katholieke kerk en bij elke nieuwbouwwijk een nieuwe kerk is van zeer recente datum. Maar het is wel precies de periode waaruit we vandaan komen, bewust, of van horen vertellen. Wat voor de bouw van kerken geldt, geldt ook voor de opkomst van het religieuze leven. De orden en congregaties zijn in diezelfde periode gesticht, om gebedsleven en maatschappelijk engagement met elkaar te verbinden.

In dat hele milieu van geloof en kerk die vervlochten zijn in het hele leven en samenleven bent u opgegroeid en koos u voor het actieve religieuze leven. Wat waren uw verwachtingen toen u daaraan begon. Waarschijnlijk hebt u niet kunnen denken dat er ooit een tijd zou komen dat het gehele kloosterleven zou verdampen. Toch is dat gebeurd. Actieve congregaties – zo lijkt het nu – zullen over enige tijd volledig zijn verdwenen. Dat wil zeggen in Europa. Dat heeft enerzijds met ontkerkelijking te maken. Anderzijds met de vele maatschappelijke taken die vanuit orden en congregaties zijn opgepakt en die nu overgenomen zijn door overheid en samenleving. Onderwijs voor iedereen, ziekenhuizen, verzorging, maatschappelijk werk, wijkzorg enz. enz. Allemaal begonnen bij kloosters en congregaties. Hoewel we precies bij deze maatschappelijke taken nu ook weer een enorme afbrokkeling zien en er grote gaten ontstaan, waardoor mensen buiten de boot vallen, verwacht ik niet dat hierdoor opnieuw congregaties zullen opbloeien of nieuwe zullen ontstaan. Zeker er staan nu al mensen op die zich engageren en inzetten waar mensen buiten de boot vallen, maar dat loopt niet langs de weg van het religieuze leven.

En dan is er tegelijk een proces gaande waarin Europa van kleur verschiet. Van een schijnbaar homogene christelijk continent dat het altijd leek te zijn en voor een deel ook was, naar een enerzijds seculiere en anderzijds multiculturele, multireligieuze, multi-etnisch continent waarin een nieuw evenwicht gevonden moet worden.

In de afgelopen honderd jaar waren het de religieuzen, was u het, die de harde en oneerlijk verdeelde samenleving een menswaardiger gezicht hebt gegeven. U hebt kansen gecreëerd voor mensen die tot die tijd geen kans kregen in de samenleving. Deze harde en duistere wereld snakt naar mensen die het aanschijn van deze aarde kunnen vernieuwen, haar opnieuw een menselijk gezicht kunnen geven. Deze aarde snakt naar proeftuinen, leefplekken, huizen waar de menswaardigheid geoefend wordt, waar het liefhebben van de vreemdeling in bijbelse zin geleefd wordt.

Veel religieuzen hebben het gevoel dat hun tijd voorbij is. We zijn oud, het hoeft niet meer en veel vaker nog: we kunnen niet meer. Maar er kan nog heel veel, want wat gevraagd wordt zijn mensen van licht, mensen die willen breken en delen, mensen die de doem willen doorbreken.

| Een reactie plaatsen

Barmhartigheid II

De bezinningsdagen of ‘retraite’ van de redemptoristen van de provincie St.-Clemens stonden afgelopen zomer in het teken van het thema barmhartigheid. In de komende tijd zullen we de inleidingen, die werden gegeven door de Nederlandse theoloog Franck Ploum, hier als een vervolgverhaal publiceren. Vandaag aflevering II. EC.

“Nederlanders lopen op klompen. Duitsers drinken bier. Belgen eten friet, Oostenrijkers jodelen. Fransen eten stokbrood. God is een man met een lange baard op een wolk. Stereotype beelden die veelal worden gebruikt in reclame. Ze roepen onmiddellijke herkenning op. Op de een of andere manier zitten ze in ons collectieve geheugen gegrift en al weten we dat ze niet kloppen, ze steken telkens weer de kop op. Eckhart Tolle noemt dit gesloten systemen, die een plek hebben ingenomen in ons collectieve geheugen en daardoor onuitwisbaar en onveranderlijk lijken te zijn. Hoeveel nieuwe beelden of gedachten er ook bij komen, dringen deze oude beelden zich steeds weer aan ons op en vertroebelen het gesprek.

Hierdoor is ook het spreken over God ingewikkeld geworden. De beelden die het oproept zijn eerder verwarrend dan verhelderend. De naam of het woord God is voor zoveel zaken gebruikt en misbruikt en wordt tot op vandaag ingezet voor de meest afschuwelijke daden, dat we amper nog weten waar het over gaat. Waar hebben we het over wanneer we over God spreken?

God almachtige Vader, heerser over het heelal, alziend oog dat mij volgt, rechter die zal oordelen over mijn doen en laten. God hoog op de troon overziend mijn zonden en rechtsprekend over de wereld. Het zijn deze en nog veel meer beelden waarmee generaties mensen zijn opgegroeid en die aan de ene kant voor velen hebben geleid tot allerlei vormen van angst, argwaan, onderdanigheid en anderzijds tot misbruik van macht, positie, vertrouwen. God, zo zegt het Groot Woordenboek der Nederlandse Taal, is een opperwezen, een bovenmenselijk, machtig en aanbiddelijk wezen. Alleen al de terminologie roept afstand en ontzag op, boezemt angst in. Wie kan er nog geloven in een God die alle touwtjes in handen heeft, de wereld en het leven van mensen tot in detail bestuurt en in en door wie alles is voorbestemd? Wie wil nog geloven in een God zo ver weg dat er sprake is van onbereikbaarheid?

De dichter Hans Andreus, stierf op eenenvijftig jarige leeftijd aan kanker. Hij worstelde zijn hele leven met God en vooral met beelden van God. Het laatste gedicht dat hij schreef klinkt als volgt:

Dit wordt het laatste gedicht wat ik schrijf,  nu het met mijn leven bijna is gedaan,  de scheppingsdrift me ook wat is vergaan  met letterlijk de kanker in mijn lijf, en, Heer (ik spreek je toch maar weer zo aan, ofschoon ik me nauwelijks daar iets bij voorstel, maar ik praat liever tegen iemand aan dan in de ruimte en zo is dit wel de makkelijkste manier om wat te zeggen), – hoe moet het nu, waar blijf ik met dat licht van mij, van jou, wanneer het vallen, weg in het onverhoeds onnoemelijke begint? Of is het dat jíj me er een onverdicht woord dat niet uitgesproken hoeft voor vindt?

God in de mannelijke vorm, hoe graag je er ook vanaf wilt, het zit in je geheugen gegrift en op de momenten dat het er op aankomt zijn het die beelden die boven komen. In nood bidden mensen eerder een Onze Vader of Wees Gegroet, dan dat ze zelf naar woorden gaan zoeken om zich tot God te richten. Ingeprente beelden hebben dus een functie, maar niet als ze een gesloten systeem worden, zonder ruimte voor iets anders. Niet als ze exclusief worden, waarheidsgehalte krijgen tegenover al dat andere dat dan niet waar zou kunnen of mogen zijn. We hebben behoefte aan woorden, beelden, symbolen die verbeelden wat onuitspreekbaar is: het bestaan van God.

In onderzoeken rond geloof, kerkelijkheid en religie wordt steeds opnieuw gevraagd naar beelden van God en het referentiekader is steevast de God van het woordenboek, het opperwezen. De conclusie is maar al te vaak: mensen geloven niet meer in God. Natuurlijk zal dat voor een deel van de onderzochten gelden, maar voor een groot aantal mensen is het verdwijnen van het opperwezen niet gelijk aan het afscheid van God. Hun beeld is veranderd. Levensvragen, levenservaring, het leven zelf maakt het onmogelijk om het beeld van de rotsvaste Almacht overeind te houden. Het maakt plaats voor stamelende woorden als liefde, licht, kracht, bron, alles in allen. Dat is niets nieuws, veel van de woorden die verbonden worden met God hebben oude, vaak zelfs Bijbelse, wortels. Wanneer in de Schrift Gods aanwezigheid wordt beschreven is er sprake van Vuur dat opvlamt, Licht dat doorbreekt, Stem die wordt gehoord. Deze oude en rijke beelden geven ruimte aan de ervaring van mensen en laten ruimte aan God.

Er is kennelijk een kloof tussen God zoals beschreven binnen de tradities van kerkelijke instituties en God van de menselijke ervaring. Ónze menselijke ervaring, maar ook die van mensen in de Bijbelse verhalen. Daar liep ook de Heilige Alfonsus al tegenaan. De kerk, in de 18e eeuw, waarin hij opgroeide was er een van gestrengheid en van regels, een kerk van de majestueuze God, onbereikbaar opperwezen. God was de oordeler, streng, straffend en meedogenloos. Hij heeft zich gaandeweg van dat godsbeeld moeten bevrijden, om uiteindelijk uit te komen bij godheid barmhartig lankmoedig overvloeiend van vriendschap en trouw. Met dat Godsbeeld werd hij baken van licht in zijn tijd.

Stem, Licht, Vuur zegt de Schrift, geen god die wij kunnen bedenken. Niet een God zoals andere goden, die van steen zijn, liefdeloze offers eisen, duister, gouden kalveren, blind en meedogenloos. De God van de Schriften is niet de God van het woordenboek. Alles wat een Godheid niet is, is de God van de Schriften: Ik daal af. Ik hoor het huilen. Ik zie het lijden. Ik kom nabij in een Mens. Ik ga mee door de diepte. Ik trek met jou mee. Noem mij geen God der goden, noem mij Ik Ben die Ik Ben, noem mij Ik zal zijn die Ik ben, noem mij Ik zal er zijn. De God van de Bijbel is alles wat een God niet is: menselijk nabij, aanraakbaar, liefdevol, tochtgenoot, corrigerend ja, maar nimmer zonder compassie. Een God zo nabij dat de psalmist uiteindelijk kan zeggen: Godheid Barmhartig Lankmoedig (H. Oosterhuis Psalm 103-2 vrij)”.

| Een reactie plaatsen

Barmherzigkeit II

Im vergangenen Sommer standen die Exerzitien der Redemptoristen der Provinz St. Clemens im Zeichen des Themas ‘Barmherzigkeit’. De Impulsen wurden vom Niederländischen Theologen Franck Ploum gegeben. In der kommenden Zeit werden wir auf dieser Website seine Impulse als eine Reihe veröffentlichen. Heute veröffentlichen wir den zweiten Teil. EC.

„Niederländer gehen auf Holzschuhen, Deutsche trinken Bier, Belgier essen Pommes, Österreicher Jodeln, und Franzosen essen ‚Stokbrood’. Gott ist ein Mann mit langem Bart auf einer Wolke. Stereotypische Bilder die vielfältig in der Werbung benutzt werden, weil sie direkt wiedererkannt werden.  Sie sind tief in unserem kollektiven Gedächtnis eingeprägt. Wir wissen: diese Vorstellungen sind nicht richtig, aber trotzdem stehen sie uns immer vor Augen. Eckhart Tolle nennt diese Bilder, ‚geschlossene Systeme’, die in unserem  kollektiven Gedächtnis einen festen Platz haben. Sie scheinen unauslöschbar und unbiegsam zu sein. Wie viele Gedanken und Bilder auch dazu kommen: diese eingeprägten und alten Vorstellungen werden immer wieder das Gespräch beeinflussen.

Dadurch ist auch das Sprechen über Gott schwierig geworden. Gottesvorstellungen sind eher verwirrend und erklären wenig. Das Wort Gott ist auch für so viele Sachen missbraucht und gebraucht worden – und ist bis heute ein Vorwand für die schlimmsten Gräueltaten. Über was, wen sprechen wir überhaupt, wenn wir den Namen Gottes aussprechen?

Gott, der allmächtiger Vater, der Herrscher des Weltalls, dessen Auge alles sieht und der über alles und alle urteilen wird. Gott auf seinem Thron, der meine Sünden sieht und diese Welt richten wird. Das ist die Vorstellung mit der mehrere Generationen aufgewachsen sind, die vielen Angst eingeflößt hat und die von Machthabern immer wieder missbraucht wurde. Gott, so sagt das Wörterbuch der Niederländischen Sprache, ist ein ‚Überwesen‘, ein übermenschliches, anzubetendes Wesen. Die Terminologie allein schon legt Distanz, Ehrfurcht und Angst nahe. Wer kann noch an diesen Gott glauben? Ein Gott der alles in der Hand hat, mein Leben und die Welt regiert bis ins kleinste Detail und der alles von vornerein bestimmt und festgelegt hat? Wer möchte noch an einen Gott glauben, der so ‚weit weg‘, ja: unerreichbar ist?

Der Niederländische Dichter Hans Andreus starb, als er 51 Jahre jung war, an Krebs. Sein ganzes Leben rang er mit Gott und vor allem mit bestimmten Vorstellungen. Am Ende seines Lebens schrieb er: Dies ist das letzte Gedicht das ich schreibe. Jetzt, da mein Leben fast vorbei ist, mein Schöpfungsdrang versiegt ist. Jetzt, da der Krebs meinen Körper auffrisst. Herr (ich rede dich so an, obwohl ich mir kaum noch eine Vorstellung machen kann, aber ich rede besser zu jemandem, als ins Blaue hinein. Es ist leichter.) Wie soll es jetzt weiter gehen? Wo bleibe ich mit diesem Licht in mir, von dir, wenn ich hinweg sterbe? Oder ist es so, dass Du mir da ein noch nicht gedichtetes Wort leihst, das nicht ausgesprochen werden muss?

Gott als Mann, wie gerne wir diese Vorstellung auch hinter uns lassen möchten: es ist in unser Gehirn hinein graviert – und an wichtigen Momenten sind es gerade solche Bilder die uns einfallen. In Notsituationen beten Menschen ein Vater Unser oder ein Ave Maria, und suchen sie nicht nach neuen Worten um sich an Gott zu wenden. Herkömmliche Bilder haben also eine Funktion – aber nicht wenn sie zu einem geschlossenen System werden und keinen Raum für andere Worte und Bilder lassen. Nicht wenn sie exklusive werden, oder zu einer Wahrheit die andere Wahrheiten ausschließt. Wir brauchen Worte, Bilder, Symbole, die uns helfen dasjenige auszusprechen das unaussprechbar ist: die Existenz Gottes.

In der Religionsforschung wird immer wieder nach Gottesvorstellungen gefragt – und die Referenz ist immer wieder der Gott aus dem Wörterbuch. Und immer ist das Ergebnis: Menschen glauben nicht mehr an Gott. Natürlich ist das teilweise wahr, aber für eine große Gruppe ist der Abschied von einer bestimmten Gottesvorstellung kein Abschied von Gott als solchem. Lebenserfahrungen, Lebensfragen und das Leben an sich hat es ihnen unmöglich gemacht, an  Gott als einen allmächtigen Felsen zu glauben. Der Allmächtige ist nicht mehr, aber im Stammeln klingt schon etwas neues: Licht, Kraft, Brunnen, ‚alles in allem‘. Das ist aber nichts neues! Diese Vokabeln, die wir heutzutage mit Gott verbinden, haben alte, sogar biblische Wurzeln. Wenn in der Bibel die Anwesenheit Gottes umschrieben wird, spricht man von aufflammendem Feuer, von  Licht das aus den Wolken hervorbricht, von einer Stimme die gehört wird. Diese neu-alte Bilder und Metaphern geben Erfahrungen von Menschen und Gott selber Raum.

Wir entdecken eine tiefe Kluft zwischen dem Gott der Überlieferung einerseits und dem Gott der menschlichen Erfahrung andererseits – unserer menschlichen Erfahrung, aber auch der Erfahrung der  Menschen in biblischen Zeiten. Diese Kluft hat auch der H. Alfons erfahren. Die Kirche im 18. Jahrhundert war eine Kirche der Rigorosität und Gesetze, die Kirche eines majestätischen Gottes. Der H. Alfons hat sich allmählich von einer bestimmten Vorstellung Gottes befreien müssen, um am Ende zu entdecken: Gottheit barmherzig, langmütig, überfließend von Freundschaft und Treue. Mit diesem Bild Gottes wurde er ein Licht für seiner Zeit.

Stimme, Licht, Feuer, sagt die Schrift: kein Gott den wir uns denken können. Nicht ein Gott wie andere Götter, aus Stein, lieblos und finster, goldene Kälber. Alles was ein Gott nicht ist: das ist der Gott der Bibel: Ich steige ab, ich habe gehört, ich sehe das Leiden. Ich komme! Ich gehe mit dir durch das Tal des Todes. Ich ziehe mit euch durch das Meer. Nenne mich nicht Gott, nenne mich ‚Ich bin’ – ‚Ich werde da sein’. Der Gott der Bibel ist alles was ein Gott nicht ist: menschlich in der Nähe, zum Anfassen, Liebevoll, korrigierend – aber nicht ohne Erbarmen. Ein Gott so in der Nähe, dass der Psalmist sagen kann:  Gottheit barmherzig, langmütig (Psalm 103-2 Huub Oosterhuis).“

| Een reactie plaatsen

Barmhartigheid I

De bezinningsdagen of ‘retraite’ van de redemptoristen van de provincie St.-Clemens stonden afgelopen zomer in het teken van het thema barmhartigheid. In de komende tijd zullen we de inleidingen, die werden gegeven door de Nederlandse theoloog Franck Ploum, hier als een vervolgverhaal publiceren.

“Dit jaar vieren we het buitengewoon Jubileum van de Barmhartigheid. Een jaar waarin Paus Franciscus de kerk wil richten op de betekenis, de reikwijdte en de spiritualiteit van barmhartigheid.

Dit is de aanleiding waarom het thema van deze jaarlijkse retraite in het teken staat van Barmhartigheid. Tijdens deze retraite onderzoeken en overwegen we ons eigen leven, ons leven als ‘gemeenschap’ van Redemptoristen en geassocieerden en onze betrokkenheid op de wereld vanuit het perspectief van barmhartigheid. Kan deze kijk ook nieuwe toekomstperspectieven openen?

De keuze voor dit thema past volledig het programma dat we de afgelopen jaren van paus Franciscus hebben gezien: hij wil de kerk niet zo zeer hervormen, maar terug brengen bij haar fundament: de barmhartige liefde van God, nabij gekomen in Jezus Messias.

Voor Paus Franciscus horen barmhartigheid en bevrijding door gerechtigheid onlosmakelijk bij elkaar. In zijn schrijven over het thema van het Jaar van Barmhartigheid (‘Misericordiae vultus’ – het gelaat van de barmhartigheid) bepleit hij de verbinding tussen een barmhartige levenshouding enerzijds en inzet voor gerechtigheid anderzijds, ten behoeve van een wereld waarin mensen in vrijheid en bevrijd kunnen leven.

Hij onderscheidt vier lagen, vier dimensies in het begrip barmhartigheid:
– Barmhartigheid openbaart het mysterie van de Allerhoogste
– Barmhartigheid is de hoogste daad waarmee God ons tegemoet komt
– Barmhartigheid is de fundamentele wet die woont in ieder mens
– Barmhartigheid is de weg die God en mens verenigt

Paus Franciscus grijpt in zijn keuze voor het thema barmhartigheid nadrukkelijk terug op de thematiek van Vaticanum II. Een Concilie dat volgens hem levend gehouden moet worden. Hij spreekt lovend over dit Concilie als een ademtocht van de geest die de kerk uit haar burcht bevrijd heeft en als een nieuwe fase waarin het evangelie op nieuwe wijze werd verkondigd en de kerk nadrukkelijk verantwoordelijkheid nam om IN de wereld het levende teken van Gods Liefde te zijn.

Veelzeggend citeert hij hierbij Paus Johannes XXIII (openingstoespraak Concilie):
“Nu geeft de Bruid van Christus er de voorkeur aan het geneesmiddel van de barmhartigheid te gebruiken in plaats van de wapens van de gestrengheid aan te leggen…” Om daar een citaat van Paulus VI (afsluiting Concilie) aan toe te voegen: “Wij willen veeleer opmerken hoe de godsdienst van ons Concilie vooral de naastenliefde is geweest…De geschiedenis van de Samaritaan is het voorbeeld geweest van de spiritualiteit van het Concilie..” (paragraaf 4)

Paus Franciscus verbindt het thema barmhartigheid met het thema bevrijding. Bevrijding is het centrale gegeven in het hele bijbelse verhaal, met als centrum het boek Exodus: de uittocht van het volk Israël uit de slavernij van Egypte. In dit verhaal maakt God zich aan Mozes bekend als de God met de NAAM Ik ben die ik ben, Ik zal zijn die Ik zal zijn, Ik Zal, Ik zal er Zijn, God genadig barmhartig, lankmoedig, rijk aan liefde, rijk aan trouw, bewarend liefde tot het duizendste geslacht. (Exodus 34,6). Deze centrale ervaring van barmhartigheid in combinatie met bevrijding wordt een draagbalk van de joodse traditie en de liturgie. De psalmen getuigen daarvan.

“Barmhartigheid is het sleutelwoord om Gods handelen jegens ons aan te geven.” Zegt Paus Franciscus. Juist daarom is de kerk geroepen om in haar pastoraal handelen uit te gaan van deze fundamentele wet. Hij zegt: “Alles moet gericht zijn op tederheid”. Voor hem staat hier zelfs de geloofwaardigheid van de kerk op het spel, de kerk kan alleen maar geloofwaardig getuigen van God, door barmhartigheid en medelijdende liefde te betrachten. (paragraaf 9)

De kerk moet het voortouw nemen om het begrip ‘Barmhartigheid’ opnieuw centraal te stellen, door de vreugde van de vergeving te verkondigen. De kerk heeft dus als eerste zending, om de liefde en de barmhartigheid van God te verkondigen. Paus Franciscus verbindt hier het begrip “waarheid” aan. Door in onze tijd barmhartigheid te betonen in het pastorale handelen, door als kerk barmhartigheid te beleven en er van te getuigen, laat de kerk zien wat haar eerste waarheid is: de liefde van Christus, als afspiegeling van Gods liefdevolle barmhartigheid. (paragraaf 12)

Om deze barmhartigheid te verbinden met bevrijding is gerechtigheid geboden. De spiritualiteit van de profeten kan ons hierbij helpen. Hij roept de openingstoespraak van Jezus in de synagoge van Nazareth in herinnering, waar hij de boekrol van Jesaja ontvangt: Ik ben gekomen om gevangen vrijlating te melden, hongerigen te voeden, dorstigen te drinken te geven en zieken genezing te melden, om een jubeljaar van de Eeuwige af te kondigen. (Jesaja 61)

Maar waar in onze samenleving bevinden zich de hongerigen, de dorstigen, de gevangenen? De Paus wijst op wat hij noemt “de hopeloze randgebieden van het bestaan die de moderne wereld op dramatische wijze doet ontstaan”. Een lastige zin die we even ontleden: Er zijn dus hopeloze randgebieden die veroorzaakt worden, die ontstaan als dramatische keerzijde van het moderne leven. Wat zijn die randgebieden: mensen die van hun waardigheid worden beroofd, de wonden van mensen die geen stem hebben in deze wereld omdat hun schreeuw monddood wordt gemaakt door de rijke volken. (paragraaf 15)

Bij de eerste groep lijkt hij te duiden op de mensonterende situaties van mensenhandel en prostitutie. Een thema dat deze Paus bijna wekelijks aan de orde stelt. Bij de tweede groep is het verloop van de zin opvallend: hij begint met mensen die gewond zijn en hij zegt dat die wonden zijn veroorzaakt door rijke landen die hen monddood maken. Hij wijst hier dus niet in eerste instantie op individuele mensen, maar op hele groepen en volken, ja zelfs landen die monddood gemaakt worden door uitbuiting en neoliberale kolonisatie door rijke landen.

In beide voorbeelden komt de bevrijdingstheoloog in de Paus aan het licht. Hij kiest voor een wereldwijd afschuwelijk fenomeen en verbindt dit aan de geschiedenis van het door het westen uitgebuite en gekoloniseerde continenten. En in het tweede voorbeeld wijst hij op westerse economische systemen die het zuidelijk halfrond leegplunderen, en de lokale bevolkingen en landen niet alleen beroven van hun rijkdommen, maar hen daar vervolgens ook niet van mee laten profiteren, maar juist in armoede houden.

Een barmhartige kerk, met barmhartige mensen dat is het medicijn dat deze wereld nodig heeft. Of zoals Paus Franciscus zegt: “Laten wij niet vervallen in onverschilligheid die vernedert, in gewenning die de geest verdooft, en verhindert het nieuwe te ontdekken, in cynisme dat verwoest.” En daarbij maakt hij de volgende verbinding: “Als kerk worden we meer dan ooit geroepen de wonden van onrecht te verzorgen, ze te verzachten met de olie van de troost, ze te verbinden met de barmhartigheid en te genezen met de verschuldigde solidariteit en aandacht.” (paragraaf 15)

Het jubeljaar roept dus op tot gerechtigheid, maar vanuit een barmhartige houding. Tegelijk bepleit Paus Franciscus een koers waarin wij ons als kerk niet beperken tot het verzorgen van de wonden die het moderne leven bij veel mensen en vele volkeren veroorzaakt, maar ze door solidariteit vervolgens ook te genezen. Barmhartigheid verzorgt en gerechtigheid heelt. In die volgorde dus. Eerste moeten we de slachtoffers – zoals de Bul zegt – naar ons toetrekken, ze verwarmen met onze liefde, daarna moeten we hun stem tot de onze maken en hun strijd tot onze strijd.

Een van de kerndoelen van de spiritualiteit van de Redemptoristen is, ik citeer: ‘evangelisatie onder de meest verlatenen’. Lang heeft uw congregatie zich via retraitewerk en onderwijs ingezet om met mensen te spreken over de kracht van het bijbels verhaal, en met name het verhaal van Jezus Messias binnen dat geheel. In dit werk, dat aanvankelijk vooral missionair gericht was, en na Vaticanum II het karakter kreeg van dialoog en gesprek, speelde en speelt een woord als barmhartigheid een belangrijke rol. Barmhartigheid in relatie tot bevrijding van en solidariteit met de meest verlatenen in deze wereld. Te midden van hen wilde, de heilige Alfonsus, de barmhartigheid van God zichtbaar maken, mede ook in reactie op, wat Paus Franciscus de gestrengheid van de kerk noemt in zijn schrijven.

Nu staat de congregatie op een kruispunt. Europa, de bakermat, vergrijst en wordt oud. Het Zuiden groeit voorzichtig. En er is een nieuwe groepen bijgekomen: Effata en Skala, zij die zich langs verschillende wegen hebben aangesloten en mee zoeken naar nieuwe wegen van zingeving en maatschappelijke relevantie en betrokkenheid van de spiritualiteit van de Redemptoristen in deze tijd en naar de toekomst toe. Ook in dit zoeken is er bijzondere aandacht voor de ‘verlatenen’, de armen en uitgeslotenen van deze tijd.”

| Een reactie plaatsen

Barmherzigkeit I

Im vergangenen Sommer standen die Exerzitien der Redemptoristen der Provinz St. Clemens im Zeichen des Themas ‘Barmherzigkeit’. De Impulsen wurden vom Niederländischen Theologen Franck Ploum gegeben. In der kommenden Zeit werden wir auf dieser Website seine Impulse als eine Reihe veröffentlichen. Dies ist also der erste Teil. EC.

“In diesem Jahr feiern wir das ‚außergewöhnliches Jubiläum’ der Barmherzigkeit. Papst Franciscus möchte uns anhand der Spiritualität der Barmherzigkeit Orientierungshilfe geben. Im Hinblick darauf ist auch das Thema dieser Exerzitien der Bergriff Barmherzigkeit. Wir schauen auf unser Leben, unser Gemeinschaftsleben als Redemptoristen und Assoziierte und auf unser Verhältnis zur Welt in der wir Leben. Wie machen wir das, aus der Perspektive der Barmherzigkeit?  Könnte das zu neuen Zukunftperspektiven führen?

Das Thema Barmherzigkeit passt sehr gut zu diesem Papst und zu allem was wir in den letzten Jahren von ihm gesehen und gehört haben. Er möchte, glaube ich, die Katholische Kirche nicht sosehr reformieren  sondern auf ihre Fundamente zurückführen: die barmherzige Liebe Gottes, uns nahegekommen im Messias Jesus.

Der Papst verbindet Barmherzigkeit mit Gerechtigkeit. In seinem Brief „Misericordiae vultus“ – das Angesicht der Barmherzigkeit – befürwortet er die Verbindung zwischen einem barmherzigen Leben einerseits und Einsatz für Gerechtigkeit andererseits, und all das damit wir eine Welt verwirklichen wo Menschen in Freiheit Leben können.

Er unterscheidet vier Dimensionen von Barmherzigkeit:
– Barmherzigkeit als Offenbarung des Mysterium Gottes
– Das Höchste mit dem Gott auf uns zukommt
– Das fundamentale Gesetz das in Menschen wohnt
– Der Weg der uns mit Gott verbindet

Der Papst greift in seinem Brief nachdrücklich auf Vaticanum II zurück.  Er möchte das Konzil lebendig halten. Er spricht über das Konzil als ‚Atem des heiligen Geistes’, der unsere Kirche aus ihrer Burg befreit hat und als eine neue Zeit in der das Evangelium auf neue weise verkündet wird und die Kirche nachdrücklich Verantwortung nimmt um IN der Welt ein Lebendiges Zeichen der Liebe Gottes zu sein.

Er zitiert die Eröffnung Ansprache von Papst Johannes XXIII: ‚Jetzt bevorzugt die Kirche das Medizin der Barmherzigkeit im Gegensatz zu den Waffen der Rigorosität.’  Und er zitiert Papst Paulus VI: ‚Wir möchten darauf aufmerksam machen, dass der Geist dieses Konzils vor allem die Nächstenliebe war… Die Geschichte des barmherzigen Samariters ist ein Beispiel der Spiritualität des Konzils.’ (Paragraf 4)

Papst Franziskus verbindet Barmherzigkeit auch mit Befreiung. Befreiung ist ein zentraler Begriff in der Bibel, mit Exodus als Zentrum: der Auszug Israels aus dem Sklavenland Ägypten. Hier macht Gott sich Moses bekannt mit seinem Namen ‚Ich Bin’, ‚Ich werde da sein’, Gottheit, erbarmend, gönnend, langmütig, reich an Huld und Treue, bewahrend Huld ins tausendste. (Ex. 34,6). Diese zentrale Erfahrung von Barmherzigkeit in Kombination mit Befreiung ist der Kern der Jüdischen Überlieferung  und Liturgie. Die Psalmen sind Zeugen dieses Kerns.

‚Barmherzigkeit ist Gottes Stichwort wenn es geht um sein Handeln uns gegenüber’, sagt Papst Franziskus. Gerade darum soll die Kirche in ihrer Pastoral barmherzig sein. Er sagt: ‚Alles in uns muss voller Zärtlichkeit sein.’ Für den Papst geht es hier um die Glaubwürdigkeit der Kirche, die Kirche kann nur glaubwürdig Zeuge Gottes sein, wenn sie barmherzig ist und mittleidende Liebe hegt und pflegt. (Paragraf 9)

Die Kirche muss von neuem die Barmherzigkeit zu ihrem zentralen Thema machen, und zwar durch die Verkündigung der Vergebung. So ist die Verkündigung der Barmherzigkeit Gottes der erste Auftrag der Kirche. Der Papst verbindet mit diesem Auftrag den Begriff ‚Wahrheit’. Indem wir in der Pastoral Barmherzigkeit realisieren, als Kirche Barmherzigkeit leben, ist die Kirche Zeuge ihrer ersten Wahrheit: der Liebe Christi, Abglanz von Gottes Liebe und Barmherzigkeit. (Paragraf 12).

Durch die Gerechtigkeit können wir diese Barmherzigkeit verbinden mit Befreiung. Die Spiritualität der Propheten hilft uns dabei. Der Papst zitiert das erste öffentliche Sprechen Jesu, wie es im Lukasevangelium zu lesen ist: ‚Ich bin gekommen, die Gefangenen zu befreien, die Hungrigen zu nähren, die Durstigen zu laben, die Kranken zu heilen und ein Gnadenjahr Gottes zu verkündigen’ ( Jesaja 61 und 58 in Lukas 4,18).

Aber wo sind in unserer Gesellschaft die Armen, die Hungrigen, die Kranken? Der Papst spricht über ‚die hoffnungslose Randgebiete des Lebens, die unsere moderne  Welt auf dramatische Weise entstehen lässt.’  Und wo sind diese Randgebiete? Wo Menschen von ihrer Würde beraubt werden und keine Stimme haben (Paragraf 15). Mit der ersten Gruppe weist er auf entwürdigende Situation hin, so wie Menschenhandel und gezwungene Prostitution. Ein Thema das diesem Papst nah am Herzen liegt. Mit der zweiten Gruppe meint er Länder die zum Schweigen gebracht werden durch  Ausbeutung und die neoliberale Kolonisation. In diesen Beispielen zeigt sich der befreiungstheologische Impuls dieses Papstes.

Eine barmherzige Kirche, mit barmherzigen Menschen, das ist das Medizin das diese Welt braucht. Papst Franziskus sagt: ‚Lasst uns nicht in Gleichgültigkeit verfallen, in eine geistbetäubende Gewöhnung, in Zynismus.’ Und dann legt er die nächste Verbindung: ‚Als Kirche werden wir gerade jetzt gerufen die Wunden des Unrechts zu pflegen, zu erleichtern mit dem Öl des Trostes’ (Paragraf 15).

Das Jubeljahr ruft uns zu einem Leben der Gerechtigkeit und zu einer Lebenshaltung der Barmherzigkeit auf. Zugleich möchte der Papst eine Kirche, die sich nicht darauf beschränkt, die Wunden zu pflegen, sondern sie auch heilt. Barmherzigkeit pflegt, Gerechtigkeit heilt. So ergänzen sie sich.

Wichtig in der Spiritualität der Redemptoristen ist: ‚Evangelisierung unter den am meisten Verlassenen’. Lange Zeit hat die Kongregation über die Kraft der Bibel geredet, insbesondere über das Leben von Jesus. In der missionarischen Arbeit – und nach Vaticanum II mehr in Dialog und Gespräch – spielte und spielt Barmherzigkeit eine große Rolle. Barmherzigkeit in Verbindung mit Befreiung von und Solidarität mit den Verlassensten dieser Erde. Diesen Menschen wollte der heilige Alfons die Barmherzigkeit Gottes zeigen: unter anderem auch in Reaktion auf das rigorose Klima in der Kirche. Nun steht die Kongregation auf einer Wegreuzung. Europa wird älter. Im Süden gibt es ein bescheidenes Wachstum. Und neue Gruppen und Verbände entstehen. Gruppen von Menschen die, über verschiedene Wege, mit den Redemptoristen nach neuen Formen suchen.”

| Een reactie plaatsen